banner2 banner3 banner4

Het kata heeft een centrale rol in het karate. Kata is misschien het best te omschrijven als alleengevecht of schijngevecht.

Een kata is een stijlfiguur, een vaste serie bewegingen, waarmee de karateka een gevecht uitbeeldt tegen een denkbeeldige tegenstander. De eerste techniek is altijd verdedigend. De tegenstanders komen van verschillende richtingen. Het is dan ook niet een reëel gevecht, maar een schijngevecht, waarin de verschillende standen, verdediging- en aanvalstechnieken worden geoefend. Belangrijke sleutelfactoren in kata zijn, snelheid, kracht, flexibiliteit en ritme.

In Shotokan karate zijn 15 basis kata’s en 9 gevorderde kata’s. Elke kata heeft zijn eigen naam en betekenis. De eenvoudige basis kata’s zoals de Heian kata’s zijn speciaal ontworpen om een special techniek of positie te doceren.

De eerste kata die wordt aangeleerd is de Taikyoku Shodan en de Heian Shodan. Deze kata’s bestaan uit basisstoten, de oi tsuki chudan, basis blokkeringen, de gedan barai, age uke en shuto uke, basisverplaatsingen zoals de kai ashi en de basisstanden zenkutsu dachi en kokutsu dachi. Het aanleren van een kata gaat in drie fasen. De kata wordt in delen gehakt en elk deel wordt apart geleerd. Uiteindelijk worden de delen samengevoegd en wordt de hele kata uitgevoerd. In deze fase wordt aandacht besteedt aan het corrigeren van de zwakke elementen. Daarom wordt de katatraining ondersteund met kihon training. Dit is fase twee. De derde fase is het begrijpen van de betekenis van de kata. Dit is de ziel van de karate sport en duurt de rest van je leven als karateka.

Er zijn twee typen kata’s: de shorin kata’s en de shorei kata’s. De shorin kata’s zijn de heian 1,2,3,4,5, bassai-dai, enpi, kaku dai en gankaku en zijn gemaakt voor kleine lichtgebouwde karateka’s. De groep onderscheidt zich door snelle bewegingen en lichaamsverplaatsingen. De shorei kata’s zijn tekki 1,2,3, hangetsu, jion en jitte en zijn gemaakt voor grote, zwaargebouwde karateka’s. De bewegingen zijn langzaam en sterk.

Elke kata begint met Rei (ceremoniële buiging). Deze wordt uitgevoerd in musubi-dachi, de informele stand, de hielen tegen elkaar, de voeten naar buiten wijzend en de handen rustend op de dijen. Hierna buigt de beoefenaar licht naar voren, terwijl de blik naar voren blijft gericht. De Kamae (houding) volgt na rei. Dit is de positie waarin de karateka staat als het kata begint. Meestal is dat de hachiji-dachi (voeten op schouderbreedte naar buiten gericht). Er zijn ook kata's waar de voeten gesloten blijven in hesiuko-dachi. Beide standen zijn zonder spanning, speciaal in de knieën en schouders. De karateka is voorbereid op snelle en langzame bewegingen. Het centrum van de kracht en concentratie is in het "tanden" het gebied achter de navel, ook wel "hara" genoemd. Dit is het zwaartepunt van het lichaam. De ademhaling is ook ontspannen, terwijl de karateka op dit punt een vechtgeest moet hebben (Zanshin). Zanshin ("vecht geest") is de juiste "state of art". Geen enkel kata is perfect zonder zanshin. De oefening mag dan wel briljant uitgevoerd worden, zonder Zanshin, zoals in elke ander budokunst, stelt het kata niets voor.

Aandachtspunten om een goede kata te lopen zijn:

  • De uitvoering is alleen correct wanneer de karateka elke beweging    uitvoert in de juiste volgorde, dus zonder fouten. De volgorde staat vast en de karateka moet ze allemaal uitvoeren.
  • Intensieve oefening is noodzakelijk om verzekerd te zijn dat het kata start en eindigt op hetzelfde punt. De "embusen" (de looplijnen van het kata) is als een gids. Hierlangs moet het kata worden uitgevoerd.
  • De karateka dient elke beweging volledig te begrijpen. Elk kata heeft haar eigen karakteristieken en deze moeten worden geïnterpreteerd en duidelijk herkenbaar zijn in de bewegingen en uitvoeringen van de karateka.
  • Waakzaamheid is essentieel. Zonder dit item is het kata geen gevecht. De karateka moet zich bewust zijn van elke aanval.
  • Elk kata kent zijn eigen ritme. Hiervoor gelden drie zeer belangrijkeregels, die alleen door een ervaren sensei overgebracht kunnen worden. Toepassing van kracht op het juiste moment, vloeiende bewegingen en toepassing van de flexibiliteit van het lichaam.
  • Juiste ademhaling is belangrijk. De uitvoerder ademt uit wanneer er een techniek wordt uitgevoerd, of wanneer de stand wordt voltooid. De inademing begint na de beëindiging van de techniek. Vasthouden van adem is fout en gevaarlijk!